Fiscale optimalisatie heeft grenzen: vermijd bedrieglijk onvermogen met een veilig, verdedigbaar uitkeerbeleid.
Het komt vaker voor dan u denkt: ondernemers die netjes optimaliseren binnen hun vennootschap, maar privé “eerder bescheiden” leven. Het Hof van Cassatie heeft op 21 oktober 2025 de krijtlijnen aangescherpt: wie zijn privévermogen bewust onbereikbaar maakt wanneer er een zekere en opeisbare schuld bestaat, kan zich schuldig maken aan bedrieglijk onvermogen. De rechter kijkt daarbij naar wat in de praktijk echt te innen valt, niet naar louter theoretische pistes.
De beklaagde A was bestuurder én aandeelhouder van meerdere winstgevende vennootschappen. Hij werd vervolgd voor bedrieglijk onvermogen: zichzelf kunstmatig onvermogend maken om verhaal door een schuldeiser te verhinderen.
Tussen 14 september 2009 en 1 juli 2021 hield A zijn privéinkomen bewust laag: hij weigerde zichzelf een hogere bestuurdersbezoldiging toe te kennen (boven het onbeslagbaar minimum). De vennootschappen van A keerden geen dividenden of tantièmes uit aan A, terwijl in deze vennootschappen aanzienlijke winsten opstapelden. Bij afbouw van de rekening-courant liet hij deze tegoeden niet terugvloeien naar zijn privévermogen.Tegelijk leefde hij luxueus, gebruik makende van een villa en luxevoertuigen die eigendom van de vennootschap waren.
Een schuldeiser B had privé tegen A een vordering van ongeveer €618.000. Tegen A werd op 14 september 2009 het bevel tot betaling uitgevaardigd. op dat moment had A nauwelijks privébezittingen waar B beslag op kon leggen. A voerde aan dat zijn vermogen al jaren voordien fiscaal was gestructureerd, en dus niet om schuldeisers te benadelen. Theoretisch kon B volgens hem nog beslag leggen op loon, aandelen en rekening courant.
Het Hof van Cassatie oordeelde dat “bedrieglijk onvermogen” niet enkel gaat om vermogen wegmaken of verbergen, maar ook om het bewust tegenhouden van privévermogensaangroei (bv. jarenlang minimale bezoldiging en geen dividenduitkering) zodra er een zekere en opeisbare schuld bestaat. De volgorde van de handelingen speelt geen rol: wie zijn onvermogen anticiperend organiseert in afwachting van een verwachte schuld, pleegt het misdrijf vanaf het moment dat die schuld opeisbaar wordt. De rechter mag bovendien oordelen op basis van de werkelijke (niet louter theoretische) mogelijkheid tot inning; de schuldeiser hoeft dus niet eerst alle beslagpistes uit te putten. Daarmee trok Het Hof van Cassatie een duidelijke grens: fiscale optimalisatie verliest haar onschuld zodra ze de uitwinning van een schuldeiser feitelijk frustreert.
Fiscale motieven blijven relevant zolang er geen zekere en opeisbare schuld is. Vanaf het moment dat die wél bestaat, kan het bestendigen van “winstreservering in de vennootschap” gelden als bedrieglijk opzet: u weet dat uw keuzes de uitwinning fnuiken, en u zet ze toch door. De datum waarop de structuur ooit werd opgezet, is daarbij niet doorslaggevend.
Documenteer waarom u winst reserveert en leg dat goed vast in notulen en beleidsdocumentatie. Voorzie een helder uitkeerbeleid (wanneer loonsverhoging/dividend wel of niet) en durf dat bij te sturen zodra er privé een opeisbare schuld ontstaat.
Het is niet noodzakelijk om alle mogelijke maatregelen tot tenuitvoerlegging te hebben uitgeput. Als u aanwijzingen heeft dat de schuldenaar zijn onvermogen organiseert, kunt u—naast de civiele weg—ook een strafklacht met burgerlijke partijstelling overwegen. Dat verhoogt de druk om betaling te verkrijgen. Laat u wel vooraf begeleiden om de beste route in uw dossier te kiezen.
Wij denken graag met u mee over een veilig uitkeerbeleid, de documentatie die u best bijhoudt en de strategische keuzes die vandaag nog wél kunnen. Contacteer ons indien u meer info wilt.
Geschreven door