Dividend uitkeren in 2026: liquidatiereserve of VVPR bis? De rendabele keuze is doordacht combineren

Dividend uitkeren in 2026: liquidatiereserve of VVPR bis? De rendabele keuze is doordacht combineren

Scroll

Wie vandaag winst uit zijn vennootschap wil halen, kan veel beter dan de klassieke 30% roerende voorheffing. De twee instrumenten die het verschil maken zijn de liquidatiereserve en het VVPR bis stelsel. Sinds de programmawet van 18 juli 2025 zijn de spelregels verfijnd en zijn timing, volgorde en formaliteiten belangrijker dan ooit. De kern: wie beide regimes slim op elkaar afstemt, haalt structureel een lagere totale heffing en behoudt controle over de cashplanning.

 

Waarom dit nu telt

De wetgever heeft de liquidatiereserve versneld in de tijd geplaatst: voor reserves die u aanlegt vanaf 1 januari 2026 volstaat een wachttermijn van drie jaar om tegen 6,5% roerende voorheffing uit te keren. Keert u binnen die drie jaar uit, dan geldt opnieuw 30% roerende voorheffing bovenop de eerder betaalde 10% anticipatieve heffing, wat de totale druk richting 36,36% duwt. Voor liquidatiereserves aangelegd tot en met 31 december 2025 blijft het klassieke spoor van vijf jaar en 5% roerende voorheffing beschikbaar, met een overgangsmogelijkheid om al na drie jaar 6,5% te kiezen. VVPR bis behoudt zijn regime: 15% (18% inmiddels) vanaf het derde boekjaar na inbreng; het tussentarief van 20% in het tweede boekjaar dooft uit voor nieuwe inbrengen na 31 december 2025.

 

Wat de liquidatiereserve écht netto voor u doet 

De liquidatiereserve start met de winst na vennootschapsbelasting van het lopende boekjaar, die u boekt naar een afzonderlijke passiefrekening en waarop meteen 10% anticipatieve heffing verschuldigd is. Die heffing is fiscaal niet aftrekbaar en vereist een correcte aangifteprocedure (o.a. formulier 275A en opname in de afzonderlijke aanslagen). Bij uitkering is de roerende voorheffing afhankelijk van de wachttermijn: voor oude reserves 5% na vijf jaar, of 6,5% na drie jaar indien u voor de overgangsoptie kiest; voor nieuwe reserves 6,5% na drie jaar. Het mechanische gevolg is helder: ongeveer 13,64% totale druk bij vijf jaar, of 15,00% bij drie jaar. Bij liquidatie is de uitkering van een liquidatiereserve vrij van roerende voorheffing.

 

Waar VVPR bis het verschil maakt

VVPR bis richt zich op inbrengen in geld met uitgifte van nieuwe aandelen op naam. Zodra de inbreng correct is gebeurd, de aandelen volstort zijn en aan de overige voorwaarden is voldaan, zakt het dividendtarief naar 15% vanaf het derde boekjaar, en dat tarief blijft behouden voor latere uitkeringen. Voor inbrengen die nog onder de oude regeling vallen, kan in het tweede boekjaar 20% gelden, maar die 20% verdwijnt in de praktijk naarmate nieuwe inbrengen na 31 december 2025 buiten dat regime vallen. Belangrijk is de discipline: volstorting moet tijdig in orde zijn, de aandelen mogen geen preferenties genieten en de administratieve stukken (waaronder de 273A met bijlage over de samenstelling van het gestort kapitaal) moeten kloppen.

 

Timing is tarief: zo vermijdt u dure missers

De volgorde waarin u liquidatiereserves uitkeert, bepaalt uw effectief tarief, omdat de wet het FIFO principe (first in, first out) oplegt: de oudste reserve gaat er altijd eerst uit. Dit heeft praktische gevolgen wanneer u de overgangsoptie van drie jaar en 6,5% wil benutten op oudere jaargangen: soms moet u eerst eerdere schijven mee uitkeren om aan de gewenste tranche te raken. Nog belangrijker is het vermijden van te vroege uitkeringen op nieuwe reserves (aanleg vanaf 2026): binnen de drie jaar betaalt u 30% roerende voorheffing bovenop de 10% bij aanleg, wat de totale belastingdruk fors verhoogt. Een uitgewerkt uitkeringsschema neemt deze valkuilen weg en maakt van FIFO net een voordeel.

 

Structuur en aandeelhoudersmix: rendement sturen zonder frictie

In vennootschappen met zowel natuurlijke personen als rechtspersonen als aandeelhouder werkt de liquidatiereserve netto vaak bijzonder goed voor de natuurlijke persoon, terwijl het voor een vennootschapsaandeelhouder minder zinvol is omdat roerende voorheffing daar verrekend kan worden. De wet laat geen selectieve toewijzing toe van de “bron” van het dividend, maar het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) maakt werken met soorten aandelen wel mogelijk, zodat u vooraf bepaalt welke categorie welke stroom ontvangt. Dat is geen truc, maar een zorgvuldige governance ingreep waarmee u netto rendementen stuurt zonder het juridische of fiscale kader te forceren.

 

Inflatie en exit: de verborgen parameter

Een wachttermijn is aantrekkelijk zolang uw koopkracht niet wegsmelt. De breekpunten zijn richtinggevend: bij een vijfjarige wachttermijn verliest de liquidatiereserve haar voordeel ten opzichte van onmiddellijk 30% uitkeren en inflatieneutraal beleggen bij gemiddelde inflatie.
Plant u een liquidatie, dan speelt inflatie minder omdat de uitkering van liquidatiereserves in dat scenario aan 0% roerende voorheffing gebeurt zodra de reserve is aangelegd en de liquidatie correct verloopt.

 

Herstructureringen: behoud wat u al opgebouwd heeft

Bij fusies lopen liquidatiereserves in de regel mee over naar de overnemende vennootschap en behouden ze hun kwalificatie, maar specifieke vormen, zoals bepaalde moeder dochterfusies, kunnen onverwachte effecten hebben waarbij componenten van het eigen vermogen verdwijnen en dus ook liquidatiereserves kunnen wegvallen. Bij splitsingen bepaalt de fiscale nettowaarde hoe het eigen vermogen, inclusief liquidatiereserves, verdeeld wordt. Wie transacties voorbereidt zonder dit te modelleren, riskeert opgebouwd fiscaal voordeel te verliezen.

 

Wat u van BAAKN krijgt

BAAKN vertaalt complexe regels naar voorspelbare cash voor aandeelhouders. Het resultaat is geen theorie, maar een meetbare verbetering in effectieve tariefdruk, met een planning die aansluit op uw behoeften.

logo logo